Oefening 1. Vraag: wie of wat kijkt er door jouw ogen?
Als je  ontspannen zit, niets doet en je hebt je ogen open, zul je zien dat de aandacht zich via je ogen vanzelf verplaatst. De aandacht wisselt van focus. Dit gaat vanzelf. Om ‘waar te nemen’ hoef je niets te doen. Dit geldt ook voor de waarnemingen die voortkomen uit de andere zintuigen. Tegelijkertijd is er die voortdurende ‘tegenwoordigheid’ in elke ervaring.

Observeer de wisselingen van de aandacht zonder identificatie met de waargenomen objecten en het zal je naar een punt leiden voorbij de verwarring dat jij een ‘persoon of waarnemer’ bent. Observeer het observeren.

Oefening 2. De focus van de aandacht bepaalt je identiteit.
Wanneer je je duim en wijsvinger tegen elkaar drukt en je gaat met je aandacht in je duim zitten dan ben jij de duim en voel je je wijsvinger. Wanneer je vervolgens met je aandacht in je wijsvinger gaat zitten dan ben je je wijsvinger en voel je je duim. De aandacht bepaalt jouw positie in het waarnemen (en daarmee in de wereld). Wanneer de aandacht zich richt op het lichaam en de zintuigen is er waarnemen vanuit het punt in de ruimte wat we lichaam noemen. Je bent ‘iemand’. De aandacht kan zich ook op het  gewaarzijn van het waarnemen zelf richten. De waarnemer en het besef ‘iemand’ te zijn lossen (op den duur) op. Wanneer de aandacht zich richt op het gewaarzijn zelf is er geen object-subject relatie meer. Alles is dan één gebeurtenis en er is geen enkel (ik) referentiepunt, ervaren of waarnemen meer.

Van ‘waarnemen’ naar ‘wat jij bent’.
Waarnemen is een activiteit in het lichaam en bestaat uit het direct fysieke waarnemen dat wordt geïnterpreteerd door het denken wat er verschillende dingen van maakt. Zo ontstaan de ideeën van; waarnemen, de waarnemer (ik ben) en dat wat waargenomen wordt (een appel bijvoorbeeld). Beelden/sensaties komen ontelbare keren per seconde op wat en solide beeld geeft van een persoon.

Het denken raakt op een gegeven moment vooral geïnteresseerd in het waarnemen zelf en niet meer in degene die waarneemt of de dingen die worden waargenomen. De aandacht verplaatst zich vervolgens naar ‘dat wat het waarnemen mogelijk maakt’. Dit kun jij niet zien of waarnemen. Dat ben jij.  

Wanneer jij ‘weet’ dat het idee ‘ik’ in de vereenzelviging met het lichamelijke waarnemen ontstaat, zal de kwaliteit van het leven totaal veranderen. Geluk komt dan niet meer voort uit de dingen die je ziet en ervaart, maar uit het aanwezig zijn zelf (ik ben). In deze toestand hoef je niemand meer te zijn, niets meer te veranderen, te begrijpen, te beoordelen of te kunnen. Weten en voelen ‘dat je bent’ is alles bevredigend.

Er zijn geen vragen meer over jezelf, de ander, de wereld of god. Alles is.

Vragen;
– wat is het dat het ‘waarnemen’ gewaar is?
– is er een grens tussen dit gewaarzijn en het waarnemen?

Aanwijzing     :vestig jezelf stevig in de waarnemer en doe niets.

Onderzoek      :is er een ‘jij’ in het waarnemen?

Onderzoek      :wat maakt het waarnemen mogelijk?

Onderzoek      :hoe ontstaat er een referentiepunt in het waarnemen?

Valkuilen.
Wanneer je actief gevestigd bent in de ‘waarnemer’ is er een geloof ‘dat jij het bent die waarneemt’. Als ‘waarnemer’ bestaan er wellicht dagelijkse problemen, maar je hoeft er niets mee, want je bent de waarnemer. Dit is een blokkade. Waarnemen kan dan een activiteit worden waarin jij je actief terugtrekt wanneer er situaties ontstaan die om handelen vragen. Dit actieve waarnemen is niet wat jij bent. Dit is alleen een tijdelijke oefening en is een subtiel onderdeel van de persoon. Waarnemen zelf gebeurt zonder dat jij het doet. Er is altijd bewustzijn. Wat ook kan gebeuren is dat je een keer ‘gezien’ of ‘ervaren’ hebt ‘wat je bent’ en dat je van deze non-duale ervaring een herinnering/beeld hebt gemaakt wat je gaat nastreven. In deze activiteit ontstaat er een splitsing in ‘wat je bent’ en ‘de herinnering/het beeld er van’. In deze verwarring worden alle eigenschappen die niet overeenkomen met de non-duale ervaring gezien als ongewenst en worden er vaak spontane impulsen onderdrukt. Er ontstaat een soort moraal over non-dualiteit. Een moraal brengt je niet naar werkelijke vrijheid. Leven naar een moraal of ideaalbeeld kan aanvoelen als afgescheiden, gecontroleerd en kil. Er is weinig spontaniteit en humor. Ware non-dualiteit bevat ook de ongedwongen dualiteit van de ‘persoon zijn’. Het leven van de persoon is een spel van concepten. Dit gaat ook na zelfrealisatie door. Dat zien is verlichting.

Vragen;
– waar voel je het concept waarnemen in of rondom je lichaam?
– welk concept heeft het concept ‘ik ben’ over het waarnemen gemaakt waardoor het afgescheiden is van bewustzijn?
– wat als dit concept niets te maken heeft met de Realiteit?

Het is een subtiel verschil, maar het idee ‘ik ben de waarnemer’ of ‘ik ben het waarnemen’ zijn gedachtes en niet het levendige leven zelf. Er is geen entiteit in jou dat ‘iets waarneemt’.  Het is allemaal een geheel. Is het waarnemen ‘waar te nemen’? Het zien van de oplossing van deze laatste vraag resulteert in een totale ontspanning. Een spanningsloos vol aanwezig zijn waarin alles gebeurt. Deze aanwezigheid is niet passief, het heeft een enorme levenskracht.

Stel hier je vraag